Dossier: “De pop” van Bolesław Prus – “een groots werk uit de wereldliteratuur”

Sinds midden juni ligt in de Nederlandse en Vlaamse boekwinkels een Poolse klassieker: “De pop” van Bolesław Prus in de Nederandse vertaling van Karol Lesman. Tegen een brede historische context schetst “De pop” een sociale panorama van de negentiende-eeuwse Warschau.

Aan de hand van een obsessieve liefde van de koopman Stanisław Wokulski voor de aristocrate Izabela Łęcka laat Prus een beeld van de maatschappelijke veranderingen zien, zoals de ondergang van de adel en de opkomst van het kapitalisme en neemt de verhoudingen tussen verschillende klassen en diverse ethnische groepen kritisch maar niet zonder humor onder de loep.

Bolesław Prus wordt gezien als een van de grootste schrijvers van de moderne Poolse literatuur. “De pop” geldt als zijn beste werk en behoort tot de literaire canon in Polen. In de NRC Cultuur bijlage van vrijdag 2 juli 2014 was een drie pagina's lang artikel gewijd aan het boek en kreeg het boek 5 sterren van de recensent.IMG_0909

In dit dossier vindt u met dank aan de uitgeverij Atlas/Contact en Stichting Literatura een uitgebreide inleiding en twee hoofdstukken uit deze – aldus een recensie op de kaft – “ontzettend maffe, heerlijke roman [die] het zelfdestructieve, hopeloos romantische gedrag [fileert] van een geniale selfmade tycoon die verliefd wordt op een leeghoofdige glamour girl”. Een roman die volgens Michiel Krielaars van het NRC “overweldigend goed” is geschreven en vertaald, “een groots werk uit de wereldliteratuur”.

Over het boek “De pop”

Wat Flauberts Madame Bovary is voor de Franse en Tolstojs Anna Karenina voor de Russische is “De pop” voor de Poolse literatuur. Velen beschouwen “De pop” van Bolesław Prus als de grootste Poolse roman van de negentiende eeuw – of van alle tijden. Opvallend genoeg werd Prus’ tweede roman aanvankelijk in literaire kringen nauwelijks gewaardeerd.

Feuilleton

De pop verscheen van september 1887 tot maart 1889 als feuilleton in de Kurier Codzienny; de 228 afleveringen werden een jaar later, in 1890, gepubliceerd in boekvorm. Op dat moment stonden schrijvers als de latere Nobelprijswinnaar Henryk Sienkiewicz en Eliza Orzeszkowa in hoger aanzien dan Prus met zijn ‘verleden’ als humorist en journalist.

In de eerste kritieken werd bezwaar gemaakt tegen de ‘chaotische compositie’ van de roman en werd de schrijver verweten te zeer oog te hebben voor detail. Maar juist de rijkdom aan realistische details en de simpele, functionele taal ge combineerd met Prus’ subtiele humor, maken het lezen van deze roman tot zo’n ongelooflijk genoegen. Ook nu nog. Dan mag de handeling zich afspelen in de tweede helft van de negentiende eeuw, de onderwerpen – liefde en deceptie, ambitie en vriendschap, succes en faillissement – zijn tijdloos. De heldere verteltrant en de sprankelende dialogen hebben niets aan levendigheid ingeboet, terwijl de stijl van de roman in al zijn eenvoud bijna transparant is.

Geen enkel personage uit de Poolse literatuur spreekt bovendien zo tot de verbeelding als de hoofdpersoon uit “De pop”, Stanisław Wokulski. In de ogen van veel lezers is hij een mens van vlees en bloed geworden. In Warschau bevindt zich zelfs een gedenkplaat met daarop de tekst: ‘In dit huis woonde in de jaren 18781879 Stanisław Wokulski, een personage tot leven gebracht door Bolesław Prus in de roman getiteld “De pop”. Deelnemer aan de opstand van 1863, voormalig Siberisch balling, voormalig koopman en ingezetene van de hoofdstad Warschau. Filantroop en geleerde, geboren in 1832.’

WOKULSKI, RZECKI EN OCHOCKI

De hele roman speelt zich af in een korte periode van zo’n anderhalf jaar. Maar via terugblikken en dagboekfragmenten komt een rijk spectrum van de Poolse negentiende eeuw naar voren. Stanisław of Staś Wokulski, zoals hij in de roman ook wordt genoemd, net als zijn auteur Prus afkomstig uit een verpauperde adellijke familie, begint zijn carrière als onderbetaalde bediende in een Warschaus wijnhuis. Hij leeft het leven van een asceet en droomt ervan grote wetenschappelijke ontdekkingen te doen. Overdag werkt hij in de winkel en ’s avonds in een restaurant, ’s nachts studeert hij. Totdat hij, net als zijn literaire schepper, zich aanmeldt voor de opstand van 1863 tegen de Russische bezetter. Het leidt ertoe dat Wokulski voor enkele jaren naar Irkoetsk in Siberië verbannen wordt. Na zijn terugkeer in Warschau gaat hij werken in de fourniturenwinkel van de weduwe Mincel, met wie hij tot veler verbazing trouwt. Na haar dood vier jaar later wordt Staś eigenaar van de winkel, die vervolgens uitgroeit tot een bloeiende zaak. Dat is echter vooral de verdienste van zijn plaatsvervanger en grote vriend, de oude klerk Ignacy Rzecki.
Ignacy Rzecki was al in dienst bij de firma Mincel voordat Wokulski er kwam werken en vertegenwoordigt in deze roman het Polen dat langzaam aan het verdwijnen is en waarvan Wokulski (net als Prus zelf) eigenlijk zo’n afkeer heeft. Rzecki is afkomstig uit het Warschause volk van ambachtslieden, ambtenaren en kleinburgers. Hij leeft op de herinneringen aan zijn jeugd, aan zijn heroïsche deelname aan de woelige gebeurtenissen dertig jaar daarvoor in Europa. De romanticus pur sang Rzecki was in 1848 samen met zijn vriend Katz naar Hongarije getrokken om zich aldaar te scharen onder het vaandel der revolutionairen. Hevig ontroerd beschrijft hij in zijn dagboek de veldslagen van weleer en noemt zijn dramatische lotgevallen indertijd de mooiste momenten uit zijn leven. Voor Rzecki is de hele kwestie van de vrijheid in Europa verbonden met de naam Napoleon Bonaparte. De Hongaarse revolutie gaf nieuwe hoop op omverwerping van het reactionaire systeem dat na de val van Napoleon had gezegevierd. Rzecki heeft die hoop nooit opgegeven en is altijd blijven vertrouwen op de Bonapartes die, zo verwacht hij, een beslissende rol zullen gaan spelen in het aanstaande herstel van Polens onafhankelijkheid. Dagelijks leest hij de krant en overal ziet hij tekenen dat ‘het’ is begonnen.

Prus heeft Rzecki, deze bescheiden verkondiger van grote zaken, deze schuchtere liefhebber van vrouwen, al te verlegen om wanneer dan ook zijn gevoelens te uiten, tot het meest innemende en grappige personage van de roman gemaakt. Binnen de roman leren we deze klerk kennen via zijn dagboek, waarin hij niet alleen zijn eigen, geheel in het teken van zijn liefde voor de Bonapartes staande jeugd beschrijft, maar tevens die van de man die hij naast Napoleon het meest van allen liefheeft en bewondert: Staś Wokulski. Dankzij dit ingevoegde Dagboek van een oude klerk kent “De pop” twee parallelle verhaallijnen: de ene doet verslag van de gebeurtenissen welke plaatsvinden in de jaren 1878-1879, de feitelijke tijd van handeling van de roman; de andere brengt de lezer via allerlei uitweidingen terug naar het verleden, met name naar de napoleontische tijd en het revolutiejaar 1848.

de pop prus NRC cultuurbijlageHoeveel personages “De pop” ook telt, hoe verscheiden de maatschappelijke lagen waaruit ze voortkomen, hoezeer hun mentaliteit en levensbeschouwing ook verschillen, altijd zijn ze verbonden met deze twee centrale personages, die beiden tot een geheel andere generatie horen. Maar Prus laat in zijn roman nog een derde generatie aan het woord en de woordvoerder daarvan is Julian Ochocki. Hem zou je kunnen karakteriseren als de idealist van de wetenschap. Ook hij is afkomstig uit de aristocratie, maar hij lapt de gewoontes en plichten van de adellijke bovenlaag aan zijn laars en heeft lak aan etiquette. Hij is een man van de toekomst, een jonge, getalenteerde wetenschapper met twee diploma’s op zak die zijn leven wil wijden aan de wetenschap. ‘Ach, waar ik me al niet mee bezighoud! Fysica, chemie en technologie. Ik hou me overal mee bezig, ik lees en ik werk van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, maar ik doe niets.’ Ochocki heeft enige uitvindingen op zijn naam staan, maar zijn grootste droom is het construeren van een machine die kan vliegen. Hij is ervan doordrongen dat hij, om zich volledig aan zijn passie te kunnen wijden, om iets groots te kunnen bewerkstelligen, zal moeten afzien van een persoonlijk leven, een gezin, de liefde. En dat heeft hij er dan ook voor over. Hij verlaat zijn land, omdat de beklemmende maatschappelijke en politieke omstandigheden hem het werken onmogelijk maken, en vertrekt naar Parijs, in de hoop daar zijn – utopische – wetenschappelijke dromen te- realiseren. Is het vreemd dat hij daar juist in Wokulski een medestander gaat zien, iemand die hem kan helpen zijn ultieme droom te verwezenlijken?

HET MENSELIJKE LANDSCHAP VAN WOKULSKI

Wanneer Wokulski over voldoende kapitaal beschikt, gaat hij in zee met de Russische koopman Suzin, die hij tijdens zijn gedwongen verblijf in Rusland heeft leren kennen. Tijdens de Turks-Russische oorlog reizen de twee naar Bulgarije, waar Wokulski fortuin maakt met wapenleveranties aan de Russen. Hoewel hij en zijn Russische compagnon zich inlaten met allesbehalve onschuldige en risicoloze financiële operaties, lijkt Wokulski door de andere romanpersonages te worden gezien als een hardwerkend, nuchter, weliswaar berekenend maar nuttig lid van de samenleving (ook al verricht hij zijn inspanningen curieus genoeg ten gunste van de bezetter). Hij zegt ook van zichzelf dat hij de samenleving wil dienen, desnoods door het offer van zijn eigen leven, maar hij twijfelt soms of het wel de moeite waard is zijn leven te geven voor mensen die hem verachten en de spot met hem drijven. Want Staś Wokulski’s zakelijke bemoeienissen en zijn inzet voor de minderbedeelden en de zwakkeren in de samenleving worden niet of verkeerd begrepen. Zijn vrijgevigheid wordt uitgelegd als een middel om indruk te maken en zijn zuiver economische manier van redeneren als inhaligheid. Ondanks zijn gedeeltelijk pragmatische, positivistische en sociaal bewogen levenswandel is Wokulski diep in zijn hart een romanticus, een man die droomt van een ander, groots leven. En het is dit in hem belichaamde conflict tussen romantische en positivistische idealen dat uiteindelijk tot zijn ondergang leidt. Hij mag dan door kapitaal aanzien verwerven, het is hem niet om het kapitaal zelf noch om het aanzien te doen, nee, zijn handelswijze heeft een ander doel: hij is er namelijk van overtuigd dat dit de enige manier is om in de gunst te komen van de beeldschone, koele aristocrate Izabela Łęcka, op wie hij hevig maar hopeloos verliefd is. Izabela lijkt niet onder de indruk van de koopman met de grote rode handen, een vertegenwoordiger van de lagere kringen. Het is duidelijk dat Wokulski, wil hij deze vrouw veroveren, zijn ‘simpele’ levensstijl moet opgeven. Hij begint naar het theater te gaan en bezoekt de aristocratische salons, geeft geld uit aan cadeaus en bloemen. Hij gaat door met het vermeerderen van zijn vermogen om Tomasz Łęcki, de vader van Izabela, de helpende hand te bieden. De man is zo goed als bankroet en houdt alleen nog de schijn van rijkdom op. Om nog meer indruk te maken op Izabela helpt Wokulski niet alleen haar vader, maar brengt ook anderen uit haar milieu zover dat ze in zijn handel met Rusland gaan investeren. Deze flirt met de aristocratie komt hem op scheve blikken bij zijn colle- ga-zakenlieden te staan.

Een keerpunt in de roman vormt het demonstratieve vertrek van Wokulski naar Parijs. Zogenaamd voor zaken, maar in feite om los te komen van zijn gevoelens voor Izabela en om haar misschien wel te vergeten. Hier wordt hij overrompeld door de alom aanwezige vooruitgang, de bloeiende industrie en de koortsachtige ijver waarmee in het Westen wordt gewerkt en waar het in zijn eigen land zo deerlijk aan ontbreekt. In Parijs ontmoet hij de oude, miskende geleerde Geist, die een heel bijzondere ontdekking heeft gedaan. Hij kan namelijk metaal vervaardigen dat lichter is dan lucht. In de handen van de juiste mensen, zo meent Wokulski, kan deze uitvinding worden aangewend om het leven van de mensheid te verbeteren en universeel geluk en vrede te brengen. Wokulski wordt in Parijs verscheurd door twijfel en hij weet niet wat hij moet doen: of terugkeren naar zijn liefde voor Izabela of zich in Parijs vestigen en zijn vermogen aanwenden om Geists uitvinding te vervolmaken en Ochocki te helpen zijn ultieme droom te verwezenlijken.

Prus’ roman is meer dan een liefdesroman, alleen al door de tweede verhaallijn die in Het dagboek van een oude klerk een uit gebreide uiteenzetting geeft van het gedachtegoed van ‘een van de laatste der romantici’. Prus ontmythologiseert zowel de romantische als de positivistische idealen, die afzonderlijk maar ook in een ongezonde symbiose (in de persoon van Stanisław Wokulski) de geestesgesteldheid van de Poolse samenleving op het eind van de negentiende eeuw in zijn ogen zo kwalijk beïnvloedden. En hij doet dat als een chroniqueur van alledag tegen de achtergrond van een uiterst gedetailleerd beschreven negentiende-eeuws Warschau, waarmee hij zich zo sterk verbonden voelde en dat hij vanwege zijn pleinvrees nauwelijks verliet, waardoor De pop ook leest als een typische ‘stadsroman’.

HET SLAGVELD VAN DE IDEOLOGIE

Als je de veelzijdigheid van “De pop” in aanmerking neemt heeft Prus’ meesterwerk maar een weinigzeggende titel. Deze verwijst naar een anekdote in de roman, waarin sprake is van een curieus proces over een vermeend gestolen pop. Prus had in een Warschause krant over zo’n incident gelezen en spontaan besloten zijn ongenoegen over de onrechtvaardige rechtsgang en zijn sympathie voor de gewaande dievegge aldus te ‘verwoorden’. Uiteindelijk een onbedoeld misleidende keuze. Het gros van de lezers ziet in de titel een verwijzing naar en een oordeel over de weliswaar mooie, maar hautaine aristocrate Izabela Łęcka. Zelfs de zinspeling op het opdraai-speelgoed en de poppen waar de oude klerk Ignacy Rzecki in zijn vrije tijd naar zit te staren is niet als zodanig door de schrijver bedoeld, ook al zou de lezer hier het woord ‘pop’ een wat ruimere betekenis geven en lezen als ‘marionet’. Ook tegen deze laatste uitleg van de titel heeft de auteur altijd bezwaar gemaakt, omdat een dergelijke verklaring veel te eenduidig zou zijn. Nee, Prus was aanvankelijk van plan zijn roman Drie generaties te noemen, in elk geval een minder eendimensionale titel die de lading beter lijkt te dekken.

Prus over "De pop"

Zelf noemt Prus in een commentaar op zijn roman het thema van “De pop”: ‘het voorstellen van onze Poolse idealisten tegen de achtergrond van het maatschappelijk verval’. Hij onderscheidt drie ‘types’ en spreekt dientengevolge van drie generaties die elk een andere vorm van idealisme vertegenwoordigen: het politieke, voornamelijk romantische idealisme van de klerk Ignacy Rzecki dat de oude generatie kenmerkt, het wetenschappelijke, allang niet meer romantische maar positivistische idealisme van de jonge bevlogen uitvinder Julian Ochocki, een vertegenwoordiger van de nieuwe generatie, en het complexe idealisme van de veertiger Stanisław Wokulski, die behoort tot de overgangsgeneratie tussen de twee. Het zijn deze drie generaties die Bolesław Prus in De pop afzet tegen zowel de door hypocrisie gemaskeerde onverschilligheid van de aristocratie jegens het lot van de natie als de meedogenloosheid van de opkomende bourgeoisie. Het anachronisme van de dromen ‘der laatste romantici’ en het bankroet van de positivistische ‘dromers’ tegenover een samenleving in verval. In zijn inleiding bij de Amerikaanse uitgave van “De pop” zegt dichter en vertaler Stanisław Barańczak: ‘Het hele menselijke landschap van “De pop” is het landschap na een veldslag waarin de Poolse versie van de romantische ideologie is verslagen.’

Recensie van Kris van Heuckelom

Kris Van Heuckelom (1976) is sinds 2006 als docent Poolse taal- en letterkunde verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij schreef een uitgebreide review van het boek op het platform  voor literaire kritiek 'de reactor.org'. Lees zijn recensie hier.

Redenen om het boek te lezen door Gerdien Verschoor

Op haar blog schrijft de Nederlandse schrijfster Gerdien Verschoor: "Er zijn boeken die je niet uit wilt lezen omdat het zo jammer is dat ze dan hebt uitgelezen. De Pop van Bolesław Prus (1847-1912), afgelopen zomer in Nederlandse vertaling verschenen, is zo’n boek."

Vervolgens volgen zes redenen waarom...

Over de vertaler: Karol Lesman

Met het vertalen van zijn lievelingsboek is voor vertaler Karol Lesman een lang gekoesterde wens in vervulling gegaan voor Lesman. Hij studeerde Slavische taal- en letterkunde aan de UvA en vertaalde ruim vijftig titels uit het Pools die meermaals werden herdrukt.

In onderstaande video maakt u kennis met Lesman en hoe hij zich vergelijkt met en postbode en over zijn passie voor het boek 'De pop'. De video is gepubliceerd door het INSTYTUT KSIĄŻKI (Boek Instituut) uit Polen begin 2014 en laat ook zien hoe Lesman de Transatlantyk Award 2013 ontving voor zijn werk als vertaler van Poolse literatuur en poëzie. 'De pop' bestempelt Lesman in dit interview als zijn Magnum opus in het bestaan als vertaler.

Leesfragment uit "De pop"

HOOFDSTUK EEN

De firma J. Mincel en S. Wokulski gezien door het glas van enkele flessen

In het begin van 1878, toen de politieke wereld in beslag werd genomen door de Vrede van San Stefano, de verkiezing van een nieuwe paus of de kansen op een Europese oorlog, toonden zowel de Warschause kooplieden als de intelligentsia uit de buurt van de Krakowskie Przedmieście zich niet minder hartstochtelijk geïnteresseerd in de toekomst van de galanterieënzaak van de firma J. Mincel en S. Wokulski.
In een gerenommeerde eetgelegenheid, waar de eigenaren van linnengoedmagazijnen en wijndepots, fabrikanten van rijtuigen en hoedenmakers, solemnele gezinshoofden die van eigen fondsen leefden en huizenbezitters zonder betrekking zich voor het avondmaal hadden verzameld, werd evenveel over Engelands bewapening gesproken als over de firma J. Mincel en S. Wokulski. Gehuld in wolken sigarenrook en hangend over flessen van donker glas
sloten sommige burgers van deze wijk weddenschappen af op de overwinning of de nederlaag van Engeland, anderen op het bankroet van Wokulski; sommigen noemden Bismarck een genie, anderen Wokulski een avonturier; sommigen hadden kritiek op het gedrag van president Mac-Mahon, anderen beweerden dat Wokulski een verklaarde dwaas was, zo niet erger…
De heer Deklewski, een fabrikant van rijtuigen die zijn vermogen en positie te danken had aan standvastig arbeiden in dezelfde branche, alsook advocaat Węgrowicz, die al twintig jaar lang lid en beschermheer was van een en dezelfde liefdadigheidsinstelling, kenden Wokulski het langst en voorspelden het luidst diens ondergang. ‘Ondergang en insolventie moeten,’ zo sprak de heer Deklewski, ‘wel het eindstation zijn van een man die niet aan een branche vasthoudt en geen respect toont voor de milde gaven van vrouwe Fortuna.’ Advocaat Węgrowicz voegde aan elke al even diepzinnige sententie van zijn vriend op zijn beurt toe: ‘Een dwaas! Een dwaas…! Een avonturier…! Józiu, breng nog eens een biertje. En het hoeveelste flesje is dat?’
‘Het zesde, meneer de advocaat. Ik kom er aan…!’ antwoordde Józiu.
‘Het zesde al…? Wat vliegt de tijd…! Een dwaas. Een dwaas,’ mompelde advocaat Węgrowicz.
Voor de mensen die in dezelfde eetgelegenheid als de advocaat hun maaltijd gebruikten, voor de eigenaar ervan, de winkelbedienden en de loopjongens waren de oorzaak van het onheil dat Wokulski en zijn galanterieënzaak boven het hoofd hing, net zo helder als de gasvlammen die het lokaal verlichtten. Deze oorzaken lagen in een onrustig karakter, een avontuurlijk leven en ten slotte in de jongste handelwijze van iemand die, terwijl hij toch een aardige boterham verdiende en de mogelijkheid om dit zo respectabele etablissement
te frequenteren, vrijwillig had afgezien van bezoeken aan dit etablissement, zijn winkel aan de goddelijke voorzienigheid had overgelaten en in zijn eentje met alle van zijn vrouw geërfde contanten was afgereisd om in de oorlog tegen de Turken fortuin te gaan maken.
‘En misschien gaat hij dat nog doen ook… Leveranties aan het leger zijn een behoorlijk winstgevende handel,’ sprak de heer Szprot, een handelsagent die hier slechts incidenteel te gast was.
‘Hij gaat helemaal niks doen,’ antwoordde de heer Deklewski.‘En ondertussen gaat een fatsoenlijke winkel naar de knoppen. Met leveranties verrijken zich enkel de Joden en Duitsers, wij Polen hebben daar geen kaas van gegeten.’
‘Misschien heeft Wokulski er wel kaas van gegeten?’
‘Een dwaas is hij! Een dwaas…!’ mompelde de advocaat. ‘Geef nog eens een biertje, Józiu. Het hoeveelste is dat…?’
‘Het zevende flesje, meneer de advocaat. Ik kom er aan.’
‘Het zevende al…? Wat vliegt de tijd, wat vliegt de tijd…’
De handelsagent, die uit hoofde van zijn functie behoefte had aan veelzijdige en uitputtende informatie over kooplieden, bracht zijn fles wijn en glas over naar het tafeltje van de advocaat en terwijl hij zijn zoete blik in diens betraande ogen verdronk, vroeg hij hem op gedempte toon: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar… waarom noemt u Wokulski een dwaas…? Hebt u misschien trek in een sigaar…? Ik ken die Wokulski een beetje. Hij kwam bij mij altijd over als een gesloten en trots iemand. Bij een koopman is geslotenheid een deugd, trots een kwaal. Maar dat Wokulski neigingen zou hebben tot dwaasheid, dat heb ik nooit kunnen bespeuren.’
De raadsheer accepteerde de sigaar zonder speciale blijken van dankbaarheid. Zijn rood aangelopen gezicht, omgeven door plukken grijs haar boven zijn voorhoofd, op zijn kin en aan zijn wangen, leek op dat moment op een in zilver gezette carneool.
‘Ik noem hem,’ antwoordde hij, traag een stukje van zijn sigaar afbijtend en hem opstekend, ‘ik noem hem een dwaas aangezien ik hem al… Wacht eens even… vijftien… zeventien… achttien jaar ken… Het was in het jaar 1860… We aten toen vaak bij Hopfer.
Hebt u Hopfer gekend…?’
‘Nou en of…!’
‘Welnu, Wokulski werkte indertijd als bediende bij Hopfer en hij was toen al een eind in de twintig…’
‘In een comestibleszaak?’
‘Ja. En net als Józiu vandaag bracht hij mij toen bier, rollade a la Nelson…’
‘En van die branche is hij overgestapt op de galanterieenhandel,’ voegde de handelsagent toe.
‘Wacht u even, niet zo snel,’ onderbrak de advocaat hem. ‘Hij is inderdaad overgestapt, alleen niet naar de galanterieënhandel, maar naar de Voorbereidende School en daarna naar de Hoofdschool, begrijpt u… Hij moest zo nodig geleerde worden…’
De handelsagent begon op een manier die op verbazing duidde
zijn hoofd te schudden.
‘Niet te geloven!’ zei hij. ‘Hoe komt-ie erop?’
‘Hoe? Nou gewoon, door banden met de Medische Academie, met de School voor Schone Kunsten… In die tijd was iedereen heetgebakerd en hij wilde niet onderdoen voor de anderen. Overdag bediende hij de gasten aan de toog en hield de rekeningen bij en ’s avonds studeerde hij…’
‘Geen beste bediening dus.’
‘Niet anders dan bij anderen,’ antwoordde de advocaat wat onwillig met zijn arm zwaaiend. ‘Maar bediende hij je, dan was hij, de driftkop, onvriendelijk: bij het minste of geringste gesproken woord, fronste hij als een boef de wenkbrauwen… Het moet gezegd, we spaarden hem niet en nog het kwaadst kon je hem krijgen als je hem “meneer de consiliarius” noemde. Een keer heeft hij iemand zo van repliek gediend dat het weinig had gescheeld of ze waren op de vuist gegaan.’
‘En natuurlijk leed de handel daaronder…’
‘Integendeel! Want toen zich in Warschau het gerucht verspreidde dat een bediende van Hopfer de Voorbereidende School wilde gaan volgen, gingen hele hordes daar ontbijten. Voornamelijk studentenvolk.’
‘En is hij de Voorbereidende School ook gaan volgen?’
‘Zeker en hij heeft zelfs examen gedaan voor de Hoofdschool. Maar stelt u zich voor,’ ging de advocaat verder en sloeg daarbij de handelsagent op de knie, ‘in plaats van de opleiding af te maken, is hij nog voor het einde van het jaar van school gegaan…’
‘Wat is hij gaan doen?’
‘Welnu… Hij is met anderen gaan zaaien wat wij tot op de dag van vandaag oogsten, en zelf is hij uiteindelijk ergens in de buurt van Irkoetsk terecht gekomen.’
‘Niet te geloven!’ verzuchtte de handelsagent.
‘Dat is nog niet alles… In 1870 is hij met een klein kapitaal in Warschau teruggekeerd. Een halfjaar heeft hij naar een betrekking lopen zoeken, waarbij hij in een wijde boog om de handel in specerijen heen liep, die haat hij tot op de dag van vandaag, net zo lang tot hij zich ten slotte door protectie van zijn huidige zaakwaarnemer Rzecki wist binnen te werken in de winkel van mevrouw Mincel, die juist weduwe was geworden, en een jaar later is hij met het veel oudere mens getrouwd.’
‘Geen verkeerde beslissing,’ merkte de handelsagent op.
‘Zonder meer. In een klap wist hij zich verzekerd van een bestaan en een werkomgeving waaraan hij rustig tot het eind van zijn leven voldoening zou hebben. Maar hij zat wel flink onder de plak bij dat mens!’
‘Ja, ze kunnen er wat van…’
‘En hoe!’ ging de advocaat verder. ‘Maar zie hoe het geluk hem toelachte. Anderhalf jaar terug moet het mens iets verkeerds hebben gegeten en is ze de pijp uitgegaan, en na vier jaar dwangarbeid was Wokulski zo vrij als een vogel en een aanzienlijke winkel en dertigduizend roebel aan contanten waar twee generaties Mincel voor hebben moeten werken rijker.’
‘Dat noem ik nog eens geluk hebben.’
‘Geluk hebben gehad,’ corrigeerde de advocaat hem, ‘maar hij heeft het niet gekoesterd. Een ander zou in zijn plaats met een deugdzaam meisje zijn getrouwd en in weelde hebben geleefd, want dat, meneer, wil vandaag de dag wat zeggen, een winkel met een reputatie en op zo’n uitstekende plek…! Maar de dwaas heeft de boel de boel gelaten en is in de oorlog zaken gaan doen. Hij moest zo nodig op miljoenenjacht, verduiveld nog aan toe!’
‘Misschien slaagt hij daar nog in ook,’ zei de agent.
‘Jaja!’ wond de advocaat zich op. ‘Józiu, geef nog eens een biertje. Denkt u dat hij in Turkije een nog rijkere dame aan de haak zal slaan dan wijlen mevrouw Mincel…? Józiu …!’
‘Ik kom er aan…! Hier komt het achtste…’|
‘Het achtste?’ herhaalde de advocaat. ‘Dat kan niet. Wacht even… Eerst was daar het zesde, toen het zevende…’ mompelde hij met een hand voor zijn gezicht. ‘Het zou best kunnen dat dit het achtste is. Wat vliegt de tijd…!’
Ondanks de sombere voorspellingen van degenen die de dingen op nuchtere wijze beschouwden, raakte de galanterieenzaak van de firma J. Mincel en S. Wokulski niet alleen niet in verval, maar deed ze zelfs goede zaken. Het publiek, nieuwsgierig geworden door de geruchten over een naderend bankroet, begon in steeds groteren getale de winkel te bezoeken en nadat Wokulski Warschau had verlaten, begonnen Russische kooplieden zich voor de handelswaar aan te dienen. De bestellingen namen in aantal toe, er was sprake van een buitenlands krediet, wissels werden met de regelmaat van de klok betaald en in de winkel zag het zwart van de klanten die de drie bedienden nauwelijks aankonden: een spillebeen met blond haar die eruitzag alsof hij elk uur kon bezwijken aan de tering, de tweede was een donkerblonde jongeman met de baard van een filosoof en de gebaren van een vorst en de derde een dandy met een voor het schone geslacht dodelijk snorretje, die rook naar een chemisch laboratorium.
Noch de nieuwsgierigheid van het gemene volk echter, noch de fysieke en geestelijke kwaliteiten van de drie winkelbedienden, noch zelfs maar zijn gevestigde reputatie zouden de winkel van de ondergang hebben gered als de leiding ervan niet in handen was geweest van de vriend en plaatsvervanger van Wokulski, sinds veertig jaar medewerker van de firma, de heer Ignacy Rzecki.

HOOFDSTUK TWEE

Het bewind van een oude klerk

De heer Ignacy Rzecki woonde al vijfentwintig jaar in een kamertje naast de winkel. In die tijd had de winkel gewisseld van eigenaar en vloer, kasten en glas in de ramen, waren en winkelbedienden; maar de kamer van de heer Rzecki was altijd dezelfde gebleven. Hij had hetzelfde trieste raam dat uitkeek op dezelfde binnenplaats, achter hetzelfde traliewerk waaraan een misschien wel vijfentwintig jaar oud spinnenweb hing en een in elk geval vijfentwintig jaar oud gordijn dat ooit groen maar nu uit heimwee naar de zon verschoten was.
Bij het raam stond dezelfde zwarte tafel, bedekt met een kleed dat ook ooit groen was geweest, maar nu slechts vol vlekken zat. Daarop een grote zwarte inktpot met een grote zwarte zanddoos die aan hetzelfde onderstel zat vastgemaakt, een paar geelkoperen kandelaars voor talkkaarsen die niemand meer aanstak en een stalen snuiter waarmee niemand meer de pit bijknipte. Een ijzeren bed met een heel dunne matras, met erboven een nooit gebruikt dubbelloops geweer en eronder een koffer met gitaar die aan een kinderlijkkist deed denken, een smalle met leer overtrokken canapé, twee eveneens met leer overtrokken stoelen, een grote metalen waskom en een kleine kast in cerise vormden het ameublement van deze kamer, die er door zijn lengte en de erin heersende schemer eerder aan een graftombe deed denken dan aan een woning.
Net als de kamer waren sinds een kwarteeuw de gewoonten van meneer Ignacy niet veranderd.
’s Ochtends werd hij steevast om zes uur wakker; dan lag hij nog even te luisteren of het op de stoel liggende horloge wel liep en keek hij naar de wijzers die samen één rechte lijn vormden. Hij wilde in alle rust opstaan, zonder veel omhaal, maar omdat hij koude voeten had en zijn enigszins verstijfde handen niet voldoende gehoorzaamden aan zijn wil, schoot hij plotseling overeind, sprong naar het midden van de kamer, rende na zijn slaapmuts op het bed te hebben geworpen naar de grote kom bij de kachel en waste zich daar van top tot teen, snuivend en proestend als een volbloed op leeftijd die aan de paardenraces terugdacht.
Tijdens het ritueel van het afdrogen met een ruwe badhanddoek keek hij met plezier naar zijn magere kuiten en zijn behaarde borst en mompelde: ‘En toch kom ik aan.’
In diezelfde tijd sprong zijn oude eenogige poedel Ir van de canapé en stond even later na kennelijk de laatste restjes slaap duchtig van zich te hebben afgeschud aan de deur te krabben, waarachter het noeste blazen in een samowar te horen was. Terwijl de heer Rzecki nog altijd doende was zich haastig te kleden, liet hij de hond naar buiten, zei goedemorgen tegen de huisknecht, haalde een theepot uit de kast, vergiste zich bij het knopen van zijn manchetten, rende naar de binnenplaats om te zien wat voor weer het was, brandde zich aan de hete thee, kamde zonder in de spiegel te kijken zijn haar, en om halfzeven was hij klaar.
Nadat hij had omgezien of de stropdas wel om zijn hals hing en zijn horloge en portemonnee in zijn zakken zaten, haalde meneer Ignacy uit het tafeltje een grote sleutel tevoorschijn en opende licht gebogen daarmee plechtig de met ijzer plaatwerk beslagen achterdeur van de winkel. Samen met de huisknecht ging hij naar binnen, ze ontstaken enkele gasvlammetjes en terwijl de huisknecht de vloer aanveegde, las meneer Ignacy uit zijn aantekenboekje door een knijpbril het rooster van die dag voor: ‘Achthonderd roebel naar de bank brengen, aha…! Naar Lublin drie albums versturen, een dozijn portemonnees… Precies…! Naar Wenen een post cheque ter waarde van twaalfhonderd gulden… Van het spoor de levering afhalen… De zadelmaker aanmanen vanwege het niet-bezorgen van de koffers… Een bagatel…! Een brief aan Staś schrijven… Een bagatel…!’
Toen hij klaar was met lezen, stak hij nog wat vlammetjes aan en bij de weerschijn daarvan deed hij een ronde langs de waar in de vitrines en de kasten.
‘Manchetknopen, spelden, portemonnees… goed zo… Handschoenen, waaiers, stropdassen… ja ja. Wandelstokken, parasols, reistassen… En hier, de albums, de necessaires… Die saffierblauwe is gisteren verkocht, natuurlijk…! Kandelaars, inktpotten, pressepapiers… Porselein… Ik ben benieuwd waarom ze die vaas hebben omgedraaid…? Zeker… Nee, hij is niet beschadigd… Poppen met haar, een theater, een carrousel… Voor morgen moeten we de carrousel maar in de etalage zetten, want de fontein is inmiddels zo alledaags geworden. Een bagatel…! Het loopt al tegen achten… Ik wed dat Klejn de eerste zal zijn en Mraczewski de laatste. Natuurlijk… Hij heeft een of andere gouvernante leren kennen en heeft voor haar al een necessaire op rekening en met korting gekocht… Uiteraard… Zolang hij maar niet zonder korting gaat kopen en niet op rekening…’
Zo liep hij mompelend door de winkel, licht gebogen, met de handen in de zakken en de poedel achter hem aan. Zo nu en dan bleef het baasje staan om naar een of ander voorwerp te kijken en dan ging de hond op de vloer zitten en krabde met zijn achterpoot in zijn dikke, warrige haren en staarden de in een rijtje in een kast opgestelde poppen, klein, middenmaat en groot, met zwart en blond haar, hen met doodse ogen aan.
De gangdeur kraakte en daar was de heer Klejn, een broodmagere winkelbediende, met een trieste glimlach rond de blauwe lippen.
‘Als ik het niet dacht, ik wist dat u de eerste zou zijn. Goedemorgen,’ sprak meneer Ignacy. ‘Paweł! Doof het licht en doe de winkel open.’
De huisknecht kwam naar binnen gesloft en draaide het gas dicht. Even later waren het gekras van deurgrendels en het gekletter van staven te horen en kwam het daglicht de winkel binnenval- len, de enige klant die de zakenman nooit teleur zal stellen. Rzecki ging aan zijn schrijftafel bij het raam zitten. Klejn nam zijn vertrouwde plek bij het porselein in.
‘De patroon is nog niet terug, u hebt nog geen brief ontvangen?’ vroeg Klejn.
‘Ik verwacht hem half maart, hoogstens over een maand.’
‘Als hij niet door een nieuwe oorlog wordt tegengehouden.’
‘Staś… Meneer Wokulski,’ corrigeerde Rzecki zich, ‘schrijft dat er geen oorlog komt.’
‘De koersen dalen anders wel, en ik las net dat de Engelse vloot de Dardanellen binnen is gevaren.’ ‘Dat zegt niks, er komt geen oorlog. Trouwens,’ verzuchtte me- neer Ignacy, ‘wat kan ons een oorlog schelen waar geen Bonaparte aan deelneemt.’
‘De Bonapartes zijn klaar met hun carrière.’
‘Waarlijk…?’ glimlachte meneer Ignacy ironisch. ‘En ten faveu- re van wie mogen Mac-Mahon en Ducrot in januari die staatsgreep dan wel hebben gearrangeerd…? Gelooft u me, meneer Klejn, het bonapartisme is een macht van formaat…!’
‘Er is een grotere.’
‘En wat mag dat dan wel wezen?’ reageerde meneer Ignacy ver- bolgen. ‘Misschien een republiek met Gambetta…? Bismarck soms?’
‘Het socialisme…’ fluisterde de broodmagere winkelbediende terwijl hij zich achter het porselein verschool.
Meneer Ignacy plantte zijn knijpbril wat steviger op de neus en kwam op zijn stoel overeind, alsof hij in één beweging een nieuwe theorie wilde weerleggen die tegen zijn opvattingen indruiste, maar daarin werd hij gehinderd door de binnenkomst van een andere winkelbediende met een baardje.
‘Een goedendag, mijn waarde heer Lisiecki!’ wendde hij zich tot de nieuwkomer. ‘Een koude dag vandaag, nietwaar? Hoe laat mag het wel niet zijn in de stad, want mijn horloge loopt zeker voor. Volgens mij is het nog geen kwart over acht…?’
‘Het idee…! Uw horloge loopt ’s ochtends altijd voor en ’s avonds achter,’ antwoordde Lisiecki bits terwijl hij de rijp van zijn snor veegde.
‘Ik durf te wedden dat u gisteren een partijtje préférence hebt gespeeld.’
‘Reken maar. Dacht u soms dat de aanblik van die galanterieën van jullie en uw grijze hoofd voor een hele dag voor mij voldoende zou zijn?’
Wel, mijnheer, ik ben liever een beetje grijzend dan kaal,’ zei meneer Ignacy verontwaardigd.
‘Het idee…!’ siste de heer Lisiecki. ‘Mijn kaalheid, als iemand die al wil zien, is een trieste familie-erfenis, maar uw grijze haren en norse karakter zijn de vruchten van de ouderdom die… ik zou willen respecteren.’
De eerste klant kwam de winkel binnen: een vrouw, gehuld in een ouderwetse mantel en een hoofddoek, die om een koperen kwispedoor vroeg. Meneer Ignacy maakte een diepe buiging en bood haar een stoel, terwijl de heer Lisiecki achter de kasten verdween en even later terugkwam om de cliënte met een waardige beweging het gewenste voorwerp te overhandigen. Vervolgens schreef hij de prijs van de kwispedoor op een briefje, gaf dat over zijn schouder door aan Rzecki en ging met de uitdrukking van een bankier die zojuist enkele tienduizenden roebels voor een liefdadigheidsdoel heeft gedoneerd, weer achter zijn toonbank staan.
De ruzie over de grijze haren en het kale hoofd was uit de wereld.
Pas rond negen uur kwam, of liever gezegd stormde de heer Mraczewski de winkel binnen, een mooie, blonde jongeman van iets over de twintig, met ogen als sterren, een koraalrode mond en een snorretje als twee giftige stiletto’s. Hij kwam in een wolk van geuren naar binnen gestoven en riep vanaf de drempel: ‘Ik durf te wedden dat het al halftien is. Ik ben een losbol, ik ben een nonvaleur, ik deug niet, maar kan ik het helpen dat mijn moeder ziek is en ik een dokter moest gaan halen. Ik heb er wel zes bezocht…’
‘Zeker bij degenen wie u necessaires schenkt?’ vroeg Lisiecki.
‘Necessaires…? O, nee. Onze dokter zou nog geen speld aannemen. Hij is een deugdzaam man… Meneer Rzecki, is het echt waar dat het al halftien is? Mijn horloge is stil blijven staan.’
‘Het is bij-na ne-gen uur…’ antwoordde meneer Ignacy met de nodige nadruk.
‘Pas negen uur…? Nou, nou, wie had dat gedacht! En ik had me nog wel voorgenomen om vandaag als eerste in de winkel te zijn, nog voor de heer Klejn…’
‘Om vervolgens voor achten de winkel weer te verlaten,’ bemoeide de heer Lisiecki zich ermee.
Mraczewski staarde hem met zijn felblauwe ogen aan, waarin zich opperste verbazing aftekende.
‘Hoe weet u dat…?’ antwoordde hij. ‘Nou zeg, erewoord, die man heeft een profetische gave! Inderdaad vandaag, erewoord… moet ik voor zeven uur in de stad zijn, al zou het me mijn leven kosten, al zou ik… er ontslag voor moeten nemen…’
‘Begint u daar dan mee,’ viel Rzecki uit, ‘dan bent u nog voor elf uur vrij, wat heet, nu reeds, op dit moment, meneer Mraczewski. U zou graaf moeten zijn, geen verkoper, en het verbaast me dat u niet meteen voor dat beroep hebt gekozen, waarbij een mens altijd tijd heeft, meneer Mraczewski. Natuurlijk!’
‘Kom, kom, u zult in uw tijd toch ook weleens achter de meisjes aan hebben gezeten,’ zei Lisiecki. ‘Waarom nu zo de moraalridder spelen.’
‘Ik heb nooit ergens achteraangezeten!’ riep Rzecki uit terwijl hij met zijn vuist op zijn schrijftafel sloeg.
‘Eindelijk komt hij er voor uit dat hij zijn leven lang een sukkel is,’ mompelde Lisiecki tegen Klejn, die in een glimlach beide wenkbrauwen hoog optrok.
Een tweede klant betrad de winkel en verlangde overschoenen. Mraczewski liep op de man toe. ‘De waarde heer wenst overschoentjes? Welke maat als ik vragen mag? Ach, de waarde heer weet het zeker niet meer! Niet iedereen heeft de tijd om na te denken over de maat van zijn overschoenen, dat is onze taak.
De waarde heer vindt het goed als we even passen…? Zou u zo vriendelijk willen zijn even op het krukje plaats te nemen? Paweł! Breng eens een handdoek, doe meneers overschoenen uit en veeg zijn schoenen af…’
Paweł kwam met een doek naar binnen gerend en wierp zich voor de nieuwkomer ter aarde.
‘Maar meneer, neemt u me niet kwalijk…!’ zei de verbouwereerde klant in een poging zich te verontschuldigen.
‘Staat u me toe,’ sprak Mraczewski snel. ‘Dit is onze plicht. Volgens mij zijn deze goed,’ ging hij verder, waarbij hij een paar met een touwtje aan elkaar gebonden overschoenen overhandigde. ‘Schitterend, ze zien er fantastisch uit… de waarde heer heeft ook zo’n normale voet dat het ondenkbaar is dat je je in de maat zou kunnen vergissen. De waarde heer wenst zeker ook dat we zijn initialen erin aanbrengen… wat mogen dat voor lettertjes zijn…?’
‘L.P.,’ mompelde de klant die het gevoel had kopje-onder te gaan in de bruisende spraakwaterval van de beleefde winkelbediende.
‘Meneer Lisiecki, meneer Klejn, wilt u zo vriendelijk zijn de lettertjes aan te brengen. De waarde heer wenst dat de oude overschoenen worden ingepakt? Paweł! Veeg de overschoenen af en wikkel ze in wat vloeipapier. Of wenst de waarde heer misschien niet te worden gehinderd door een overbodige last? Paweł! Doe de overschoenen in de doos… Dat is dan twee roebel vijftig kopeke… Uw overschoenen met initialen zullen nu door niemand kunnen worden verwisseld, want het is hoogst onaangenaam om in plaats van net aangeschafte spullen ouwe troep aan te treffen… Twee roebel vijftig kopeke te voldoen bij de kassa, met behulp van dit kaartje. Meneer de kassier, vijftig kopeke wisselgeld graag voor de waarde heer…’
Voordat de klant goed en wel was bekomen, had men hem de overschoenen al aangedaan, het wisselgeld teruggegeven en hem met diepe buigingen naar de deur begeleid. De cliënt bleef nog een tijdje op straat staan, gedachteloos starend naar de etalage waarachter Mraczewski hem een zoete glimlach en een stralende blik toewierp. Uiteindelijk maakte hij een wegwerpend gebaar en vervolgde zijn weg, misschien wel denkend dat in een andere winkel overschoenen zonder initialen hem tien zloty zouden hebben gekost.
Meneer Ignacy wendde zich tot Lisiecki en schudde zijn hoofd op een manier die getuigde van bewondering en tevredenheid.
Mraczewski zag deze beweging vanuit een ooghoek, liep tot bij Lisiecki en zei toen halfluid: ‘Moet u nou toch zien, lijkt die oude van ons en profil niet sprekend op Napoleon iii? Die neus… die snor… dat puntbaardje…’
‘Dan toch op een Napoleon met galstenen,’ antwoordde Lisiecki.
Op deze grap reageerde meneer Ignacy afkeurend met een vertrokken gezicht. Overigens mocht Mraczewski die avond voor zeven uur vertrekken en een paar dagen later kreeg hij in het persoonlijk memorandum van Rzecki de volgende notitie: ‘Hij zat bij De hugenoten op de achtste rij stalles naast ene Matylda…???’
Hij zou troost kunnen putten uit de gedachte dat in datzelfde memorandum eveneens aantekeningen stonden over zijn beide andere collega’s, maar ook over de kassier, de bodes, ja zelfs over de huisknecht Paweł. Hoe kwam Rzecki aan al die details uit het leven van zijn medewerkers? Dat was een geheim dat hij aan niemand toevertrouwde.
Na eerst de kas te hebben overgedragen aan Lisiecki, die hij ondanks het voortdurende gebakkelei het meest vertrouwde, verdween meneer Ignacy rond één uur ’s middags naar zijn kamertje om er zijn bij een restaurant gehaalde middagmaal te nuttigen. Tegelijk met hem verliet Klejn de winkel en was om twee uur weer terug; vervolgens bleven hij en Rzecki in de winkel en gingen Lisiecki en Mraczewski eten. Om drie uur was iedereen weer op zijn plek.
Om acht uur ’s avonds werd afgesloten; de winkelbediendes gingen huns weegs en alleen Rzecki bleef achter. Hij deed de dagelijkse afrekening, controleerde de kas, stelde het werkplan op voor de volgende dag en ging bij zichzelf na: was alles gedaan wat van- daag gedaan had moeten worden? Voor elke verwaarloosde kwestie betaalde hij met lange slapeloosheid en naargeestige dromen over de teloorgang van de winkel, de prompte ondergang van de Bonaparte-dynastie en over het feit dat alles waar hij in het leven zijn hoop op had gevestigd, slechts flauwekul was.
‘Er komt allemaal niets van terecht! We zijn reddeloos verloren!’ verzuchtte hij dan, woelend in zijn harde beddengoed.
Verliep de dag goed, dan was meneer Ignacy content. Dan las hij voor het slapengaan De geschiedenis van het Consulaat en het Keizerrijk of de krantenknipsels die de Italiaanse oorlog van het jaar 1859 beschreven of haalde hij, wat niet zo heel vaak gebeurde, zijn gitaar onder zijn bed vandaan en speelde daarop de Rákóczimars, met een tenor van twijfelachtige kwaliteit meezingend.
Later droomde hij dan van uitgestrekte Hongaarse laagvlakten, van donkerblauwe en witte lijnen van in rookwolken gehulde legers… De volgende dag had hij steevast last van een somber humeur en klaagde hij over hoofdpijn.
Tot de meer aangename dagen behoorde wat hem betreft de zondag; dan maakte hij immers de plannen voor wat er een week lang in de etalage moest komen, om vervolgens deze plannen uit te voeren.
In zijn opvatting waren de etalages niet alleen een samenvatting van het aanbod van de winkel, maar moesten ze ook de aandacht trekken van de voorbijgangers door ofwel de meest modieuze waar dan wel een prachtige uitstalling of een aardigheidje. De rechter etalage, die was voorbestemd voor de luxeartikelen, herbergde meestal een bronzen beeld, een porseleinen vaas, de volledige inrichting van een boudoirtafel, waaromheen albums, kandelaars, portemonnees, waaiers lagen uitgestald, aangevuld met wandel- stokken, parasols en een ontelbaar aantal kleine maar elegante voorwerpen. In de met stropdassen, handschoenen, overschoenen en parfums gevulde linker etalage nam meestal bewegend speelgoed een centrale plaats in.
Soms ontwaakte gedurende deze eenzame bezigheden het kind in de oude klerk. Dan haalde hij alle mechanische speeltjes tevoorschijn en stalde hij deze uit op tafel. Er was een beer die in een paal klom, er was een kraaiende haan, een muis die kon rondrennen, een trein die over rails reed, een circusclown die op een paard galoppeerde en nog een tweede clown met zich mee droeg, en enkele paartjes die een wals dansten op de tonen van een onduidelijk stukje muziek. Al deze figuren werden door meneer Ignacy opgedraaid en allemaal tegelijk in beweging gezet. En als de haan begon te kraaien en te klepperen met zijn stijve vleugels, als de dode paartjes dansten, waarbij ze voortdurend tegen elkaar op botsten en dan weer stilvielen, als de loden passagiers van het treintje zonder bestemming hem verbaasd begonnen aan te kijken, en als die hele poppenwereld bij het flakkerende gaslicht tot fantastisch leven kwam, begon de oude klerk met zijn hoofd leunend op zijn ellebogen stilletjes te lachen en mompelde hij: ‘Hihi! Waar gaan jullie heen, reizigers…? Waarom haal je zulke halsbrekende toeren uit, acrobaat…? Wat heb je eraan om elkaar zo vast te pakken, dansers…? De veer loopt af en jullie gaan allemaal weer terug in de kast. Flauwekul, alles is flauwekul…! En jullie, als jullie konden denken, zouden weleens het idee kunnen hebben dat dit heel wat voorstelt…!’
Na deze en soortgelijke monologen pakte hij snel het speelgoed weer in en liep hij geïrriteerd rond in de lege winkel met die smerige hond van hem achter zich aan.
‘Handel is flauwekul… politiek is flauwekul… flauwekul is die reis naar Turkije… flauwekul is het ganse leven waarvan we ons het begin niet meer herinneren en het eind niet kennen… Waar is de waarheid…?’
Aangezien hij zulke zinnen soms hardop en in de openbaarheid uitsprak, werd hij als een zonderling beschouwd en plachten serieuze dames met huwbare dochters te zeggen: ‘Dat komt ervan als een man vrijgezel blijft!’
Zijn huis verliet meneer Ignacy zelden en slechts voor korte tijd en normaal gesproken slenterde hij dan wat door de straten waar zijn collega’s of ander winkelpersoneel woonden. Dan trokken zijn lange, donkergroene Algerijnse mantel of zijn tabaksbruine colbert, zijn asgrijze broek met de zwarte streep en zijn vale hoge hoed, maar vooral ook zijn schuchtere gedrag alom de aandacht. Meneer Ignacy wist dat en kreeg daardoor steeds meer een hekel aan wandelen. Op zon- en feestdagen bleef hij liever urenlang in bed liggen kijken naar zijn getraliede raam, waarachter de grauwe muur te zien was van het naburige huis dat slechts gesierd werd door één enkel eveneens getralied venster, waarin soms een kuipje boter stond of het levenloze lichaam van een haas hing.
Maar hoe minder hij buiten kwam, des te vaker droomde hij van een verre reis naar het platteland of naar het buitenland. Steeds vaker doken in zijn dromen groene velden en donkere wouden op, waar hij zou willen ronddolen, terugdenkend aan zijn jonge jaren. Langzaam werd in hem het stomme verlangen naar die landschappen wakker, dus besloot hij onmiddellijk na de terugkeer van Wokulski ergens voor een hele zomer naartoe te gaan.
‘Tenminste nog één keer voor ik doodga, maar dan wel voor een paar maanden,’ zei hij tegen zijn collega’s die om onduidelijke redenen om deze projecten moesten lachen.
Vrijwillig gescheiden van mens en natuur, ondergedompeld in de woelige maar benauwende maalstroom van winkelbelangen, voelde hij almaar sterker de behoefte om met iemand van gedachten te wisselen. En omdat hij sommigen niet vertrouwde en anderen niet naar hem wilden luisteren en Wokulski er niet was, ging hij dus maar in gesprek met zichzelf en hield hij in het diepste geheim een dagboek bij.

"De pop" is online onder andere verkrijgbaar bij bol.com: