fbpx

De bestemming van Polen en Nederland: Messianisme in het Polen en Nederland van de 19e eeuw

De bestemming van Polen en Nederland

Messianisme in het Polen en Nederland van de 19e eeuw

1830 was in Europa een revolutiejaar. In Frankrijk markeerde het de ondergang van Karel X en het einde van de Restauratie. In de Nederlanden leidde de afscheiding van België tot een opleving van nationaal bewustzijn. In het Congres-Polen breekt de Novemberopstand uit die door de Russen bloedig werd neergeslagen en het begin inluidde van de exodus van de Poolse elites naar Frankrijk. Tegen deze achtergrond zien we in verschillende Europese landen een mystieke vorm van nationalisme ontstaan die aangeduid wordt met de term messianisme.

Roeping van de natie

Hoewel dit messianisme onder de Poolse ballingen in Parijs zijn meest uitgesproken vorm zou vinden, was het geloof in de providentiële roeping van de natie geen Poolse vinding, maar een Europees verschijnsel dat een reactie was op een crisis. Het centrum van deze reactie was Frankrijk, waar de werken van de contrarevolutionair De Maistre en de utopisten, ook bij de Poolse ballingen, een diepe indruk achterlieten. Met name de verwachting van een ‘nieuwe openbaring’ die de oude orde zou herstellen en verheffen kwam tegemoet aan de diepste verlangens van de Polen in de diaspora. Volgens de historicus Walicki was het ‘een hoop uit wanhoop geboren; een uitdrukking van een toenemend gevoel van zelfbewustzijn gecombineerd met een gevoel van gedwongen ontworteling en isolatie in een vreemde wereld.’

Val en wederopstanding

Hoewel het messianisme verschillende vormen heeft aangenomen, ook binnen de Poolse emigrantengemeenschap, zien we in al deze varianten een aantal elementen terugkeren die heilshistorisch genoemd kunnen worden. Er is sprake van een tweede zondeval, een periode van lijden en boete die gevolgd zou worden door een glorieuze wederopstanding die het universeel heil aan de wereld zou brengen.

Allereerst was er de val. Het messianisme was een antwoord op een verlies. De moderne mens had wederom van de boom van goed en kwaad gegeten en had zich daarmee de kennis toegeëigend die aan God was voorbehouden. Dit verraad had de door God verordonneerde samenleving in haar fundamenten aangetast. Met name de Verlichting met haar geloof in de soevereiniteit van de rede, haar ‘sofismen,’ haar moderne constituties, haar liberalisme en haar streven naar uniformiteit was in de ogen van velen een bron van apostasie die schande en verwarring over de volkeren van Europa had gebracht.

Messianisme in Nederland

In Nederland zien we dit bewustzijn terug bij het Réveil. Het was voorbereid door Bilderdijk en vond zijn vurigste woordvoerder onder één van zijn leerlingen, Da Costa die in zijn Bezwaren tegen den Geest der Eeuw de ‘helsche gruwelen’ van deze geest ‘die zich zóó verlicht, en zóó menschlievend noemt’ aanklaagde. De Verlichting (en de ‘sofistische’ theologie) was een ‘bygeloof’ geworden die ‘de leer der Vrije Genade en Onvoorwaardelijke Verkiezing’ had verduisterd. Ook het werk van een andere navolger van Bilderdijk, de rechtsgeleerde Groen van Prinsterer, hoewel ironischer van toon en voorzichtiger in zijn vergezichten, getuigde van dit besef. Voor Groen was de Verlichting een schijnopenbaring geweest. ‘Overvloed aan zonlicht en fakkellicht was er,’ zo schreef hij in Ongeloof en Revolutie, maar ‘aan zonnelicht gebrek.’ Hoewel overtuigd Orangist was de Oranje-monarchie van 1815 voor hem ijdel mensenwerk, een ‘autocratie, welke onder den naam van monarchie, uit de anarchie, als onvermijdelijk gevolg ontspruit.’

Martelaarschap

Onder de Poolse emigranten in Frankrijk kreeg het besef iets verloren te hebben natuurlijk een bijzondere betekenis. In Pan Tadeusz van Adam Mickiewicz werd de ondergang van het vaderland vergeleken met het verlies van gezondheid.

In de Boeken van de Poolse Natie voerde Mickiewicz deze ondergang terug op de ‘zondeval’ van de Verlichting met haar hoogmoed en rationalisme die, zo schrijft hij elders, ‘slechts een imitatie of beter gezegd een valse openbaring’ was geweest. Volgens de dichter had de mensheid het ‘Gouden kalf’ binnengehaald toen zij voor afgod van de rede en eigenwaan was gezwicht. De Poolse natie vormde hierop een uitzondering. Zij was de enige geweest ‘die niet voor de nieuwe afgod had gebogen.’ Daarom was haar de eer van het martelaarschap geschonken en moest zij als een Gekruisigde lijden ten behoeve van de mensheid.

Verheerlijking van het verleden

Dit idee van een ‘val´ leidde onder de antirevolutionairen en messianisten in Nederland en Polen tot een verheerlijking van een ‘gezonde’ periode die een voorafbeelding vormde voor de nabije toekomst. Voor het Réveil was deze de Opstand onder Oranje die door Da Costa met de uittocht van het Joodse volk uit Egypte werd vergeleken. Het uitverkoren Nederland was antiremonstrants, antistaatsgezind en antipapistisch en zou dit weer worden. De Poolse emigranten op hun beurt grepen terug op de barokke schittering van de 17e eeuw, het sublieme tijdperk van het sarmatisme met zijn Aurea libertas (Gouden vrijheid) en het liberum veto die het ‘broederschap van edelen’ hadden beschermd tegen de autocratische neigingen van de vorsten en die de natie zo gunstig hadden doen afsteken bij de andere Europese monarchieën.

De herleving

Op de situatie van ontworteling en vervreemding zou onherroepelijk een herleving volgen. God zou het lijden van zijn uitverkoren volken niet laten voortduren. Zoals hij in zijn eerste openbaring in Christus het individu had verlost, zo zou hij in een nieuwe openbaring de politieke orde in het volle licht laten verschijnen. Da Costa zag een spoedig oordeel tegemoet:

Het vonnis wordt weldra geslagen,
Wie heerlijk zijn moet en veracht;
De philosophen deze dagen,
Of Jacobs lijdend nageslacht!

Nederland, zo voorzag Da Costa, zou weer ‘het Israël van het Westen worden,’ het ‘Tweede Jeruzalem’ en zijn soteriologische taak in de wereld kunnen volbrengen. Ook de Poolse romantici kenden een hoge roeping toe aan hun volk. Het lijden dat zij moesten doorstaan was niet meer dan een tijdelijke loutering die zou uitmonden in een universele verlossing.

De Poolse natie zou, aldus Mickiewicz, evenals Christus op de derde dag verrijzen en de wereld uit zijn ketenen bevrijden:

Want de Pools natie is niet gestorven. Haar lichaam is inderdaad begraven, maar haar ziel is opgestegen van het aardoppervlak… En op de derde dag zal de ziel in het lichaam terugkeren; en de natie zal verrijzen uit de dood en zal alle naties van Europa bevrijden uit de slavernij. En twee dagen zijn reeds voorbijgegaan; de eerste dag verstreek met de eerste verovering van Warschau; de andere met de tweede verovering van Warschau; maar de derde dag zal aanbreken en haar zon zal nooit ondergaan.

Het iconische beeld van de natie die bloedt ten behoeve van de christelijke beschaving is diep ingebed in het nationaal bewustzijn van Polen. Het messianisme heeft echter ook zijn bestrijders gehad zoals Gombrowicz die niet moe werd om wat hij beschouwde als Poolse kitsch en hybris te ridiculiseren. Mickiewicz was voor hem ‘een symbool voor alles wat hem tegenstond in de Poolse cultuur.’

Messianisme in het Polen van nu

Ook in het postcommunistische Polen is het messianisme meer dan overblijfsel uit het verleden. ’Zowel de politieke en economische veranderingen en de modernisering van het maatschappelijk leven en de cultuur hebben het messianisme niet veranderd in een soort aftands idee (…) maar juist bijgedragen tot een herleving,’ aldus Starzyńska–Kościuszko. Deze hernieuwde belangstelling kan worden begrepen ‘als het verlangen om een beduidend deel van het nationale intellectuele erfgoed weer op te eisen, en daarnaast als een algemene overtuiging dat de taal van het Pools messianisme tot op zekere hoogte een universele betekenis heeft, die kan worden gebruikt om de huidige werkelijkheid adequaat te beschrijven.’

Bronverantwoording

Dit artikel is het tweede artikel van de hand van Man-Ri van den Ham. In zijn eerste artikel 'Tussen zwaard en zwabber' leest u over de periode die hieraan vooraf ging.

De afbeelding bij dit artikel is een schilderij van Marcin Zaleski 'Wzięcie Arsenału' met een scene uit de november opstand van 1830. Uit de collectie van Muzeum Narodowe w Warszawie.

 

 

Reacties zijn gesloten.