Long read over Pools nationalisme

Long read over Pools nationalisme

Het is niet te ontkennen dat in Polen nationalisme de recente jaren een belangrijke rol speelt. Dit gebeurt in publieke debat en ook in de buitenland politiek en de relatie met de EU. Onderstaande ‘long read’ van Man-Ri van den Ham schets de achtergronden van dit Poolser nationalisme zodat we die beter kunnen begrijpen en beoordelen.

We bedanken Man-Ri voor deze bijdrage.

Naród: achtergronden van het Pools nationalisme

In de berichtgeving over het nationalisme in Polen lijken begrippen als nationalistisch, rechts, conservatief, ondemocratisch en traditioneel elkaars plaats in te kunnen nemen. Hiermee wordt de indruk gewekt dat achter deze woorden één grondhouding schuilgaat. Om echter tot een beter begrip te komen van de historische achtergronden van het Poolse nationalisme is het van betekenis onderscheid aan te brengen.

1. Nationalisme: een modern verschijnsel

Nationalisme is een modern verschijnsel. Naties kunnen niet als vanzelfsprekende voortzettingen van feodale verbanden worden beschouwd; het zijn volgens Anderson ‘verbeelde gemeenschappen.’ Pas in de moderne tijd kunnen deze verbeeldingen de massa’s bereiken en mobiliseren. Gellner stelt dan ook dat naties het product zijn van nationalisme en niet andersom. Ook de schaduwzijden van het nationalisme zijn niet eenvoudigweg terug te voeren op een traditionalistisch ethos. De ‘discriminatie van minderheidsrechten’ die binnen veel Europese nationalistische bewegingen van de laat negentiende en begin twintigste eeuw een plaats gaat innemen, zo schrijft Mazower, ‘was niet het werk van reactionairen en conservatieven,’ maar ‘van die groeperingen die meenden dat de staat moest aantonen boven alles en iedereen verheven te zijn.’

Daarnaast kunnen democratisch bewustzijn en nationalisme niet zonder meer tegenover elkaar worden geplaatst. De opkomst van het nationalisme werd eerder mogelijk gemaakt door een democratiseringsproces, waarin het ‘volk’ in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. ‘De moderne, bestuurlijke, de burgers mobiliserende en beïnvloedende staat, plaatste de kwestie van de natie (…) bovenaan de politieke agenda,’ aldus Hobsbawn. Ook Wessels ziet het nationalisme als een uitvloeisel van de democratisering en modernisering van de samenleving. ‘Naarmate tegen het einde van de negentiende eeuw het moderniseringsproces in een stroomversnelling terecht kwam en het verzet ertegen van traditionalistische zijde feller en wanhopiger werd, nam ook de identificatie met radicale en intolerante vormen van nationalisme toe.’

Geschiedenis verkeerd begrijpen

De neiging om nationalisme als een vorm van traditionalisme op te vatten is deels terug te voeren op een paradox binnen het nationalisme zelf. Het nationalisme betekende een cesuur in de geschiedenis en veel nationalisten waren zich bewust van het revolutionaire karakter van hun optreden. Tegelijkertijd rechtvaardigden ze hun streven door de natie antropomorfisch voor te stellen en haar een ‘unnennbares Etwas’ toe te kennen. Waar dit ‘onmiskenbare iets’ uit bestond, bleef echter in het duister. ‘De eigen geschiedenis verkeerd begrijpen,’ zo schreef Renan, 'maakt deel uit van een natie zijn.’

2. Proto-nationalisme

In de periode van de Pools-Litouwse Unie (1569–1795) verwijst de identiteit ‘Pools’ naar een loyaliteit aan een vorst en vooral naar een aantal rechten die men ten opzichte van deze vorst bezat. Het bezitten van deze rechten was het privilege van de szlachta (adel) en wanneer we spreken over de Poolse natie was dit een Naród Szlachecki, een aristocratische natie.

Naród Szlachecki

De szlachta was zich in hoge mate van haar rechten bewust. Dit bewustzijn werd een zelfbewustzijn doordat deze sterk afweken van die van de adel elders in Europa. Terwijl in Frankrijk in deze periode een centralisatieproces op gang kwam, dat economisch mogelijk werd gemaakt door Colbert, theologisch gefundeerd werd door Bossuet, voortgestuwd werd door De Richelieu en Mazarin en verpersoonlijkt werd door de absolute vorst ontleenden de Poolse edelen hun eigenwaarde aan hun ‘Aurea Libertas’ (Gouden Vrijheid). ‘Nierządem Polska stoi’ (door de afwezigheid van heerschappij staat Polen) kon als het credo van de Unie gelden en deze ‘afwezigheid’ werd als een identiteit gekoesterd.

Afkeer van centralisatie

De uitzonderlijke positie van de szlachta bleef ook buiten de Unie niet onopgemerkt en bleek voer voor Europese rechtsgeleerden en filosofen, zoals Bodin, die uitvoerige traktaten wijdden aan een bestel waarin de koning door de adel werd gekozen, waarin het woord ‘belasting’ (het voornaamste middel van een centralisatiepolitiek) doorgaans een blasfemische klank had, waarin elk wetsvoorstel verworpen kon worden door het Liberum Veto (hiermee kon een tegenstem een voorstel tegenhouden wat noodzaakte tot consensus politiek of de besluitvorming volledig lamlegde. Red.) en waarin de adellijke hoven dat van de koning vaak in schittering overtroffen.

De diepe afkeer van centralisatie en absolutisme, die als één van voornaamste karakteristieken van de Naród Szlachecki kon gelden, maakte de Unie bij tijden ook stuurloos. Het Liberum Veto werd in de handen van pro-Russische krachten soms een ruilmiddel en de verwarring die daar het gevolg van was, zou volgens velen de ondergang van de Unie hebben veroorzaakt. ‘Tijdens het lezen van de geschiedenis van de regering van Polen is het moeilijk te begrijpen hoe een zo vreemd gevormde staat zo lang heeft kunnen overleven,’ schreef Rousseau in zijn ‘Considérations sur le gouvernement de Pologne.’

Verbazingwekkende veelvormigheid

Het is verder opvallend dat de taal en het katholicisme die later binnen de Poolse identiteit een prominente plaats zouden innemen in deze periode nog niet de basis van een nationaal bewustzijn vormden. Binnen de grenzen van de Unie werd naast Pools onder meer Roetheens, Russisch, Yiddish, Oekraïens, Litouws en Wit-Russisch gesproken. ‘Er waren steden en dorpen waar alle inwoners Duits spraken,’ aldus Kromer, de prins-bisschop van Warmia, en de ‘Polen waren gewillig deze taal te leren.’ De szlachta bediende zich bij gelegenheden graag van het Frans, Italiaans of Latijn.

Deze verbazingwekkende veelvormigheid kenmerkte ook het godsdienstige leven binnen de Unie. Hoewel de katholieken er de voornaamste religieuze groep vormden, maakten zij nog niet de helft uit van de bevolking. De Unie vormde een wonderlijke lappendeken waar lutheranen, calvinisten, unitariërs, moslims, antitrinitariërs, orthodoxen, arianen en anabaptisten ongekende vrijheden genoten, hoewel dit onderlinge conflicten niet uitsloot. Polen gold bovendien als het ‘Paradisus Iudaeorum’ en veel Joden die uit andere landen werden verbannen, zochten hun toevlucht in de Unie en genoten daar een ‘soevereiniteit in eigen kring.’ In deze periode leefde naar schatting driekwart van de Europese Joden in Polen.

Artikel loopt door onder afbeeldingDe Unie van Lublin. Schilderij van Jan Matejko - 1569 (Via Wikimedia Commons)

Religieuze toleratie

Het katholicisme binnen de Unie kenmerkte zich eerder door een intense vroomheid en devotionaliteit (met name voor de Heilige Maagd) dan door een uitgesproken leerstelligheid, zo is de indruk. De anathema’s van het Concilie van Trente brachten in Polen niet de scheiding teweeg die het in andere delen van Europa zou veroorzaken. Kerkelijke vonnissen tegen ketters werden in sommige gevallen door uitspraken van adellijke hoven verworpen en de Poolse contrareformatoren moesten vaak met de grootst mogelijke omzichtigheid te werk gaan. De religieuze tolerantie werd in 1573 niet lang na de Bloedbruiloft in Parijs geformaliseerd toen de Poolse edelen zwoeren dat er omwille van godsdienstige verschillen geen bloed mocht vloeien. De verklaring van deze Confederatie van Warschau werd niet lang daarna opgenomen in de ‘Artykuły Henrykowskie’ (naar Hendrik Valois, de eerste gekozen koning van Polen) en vormde de basis van een periode van religieuze vrijheid binnen de Unie.

Hoewel de tolerantie in de loop van de achttiende eeuw enigszins afneemt, kan men blijven spreken van een federale ‘natie’ waar het streven naar een krachtige centrale overheid en een uniformering van het leven werd gewantrouwd. De moderne constitutie van 1791, waarin onder meer het Liberum Veto werd afgeschaft, werd door een aanzienlijk deel van de szlachta als een grove inbreuk gezien. Ze vormde bovendien de opmaat naar de ondergang van de Unie.

3. Romantisch nationalisme

Met het verdwijnen van Polen van de kaart van Europa (doordat omringende grootmachten het land onderling verdeelden. Red.) was de Unie een herinnering geworden die daardoor kon uitgroeien tot een geliefd object van het romantisch verlangen. De bewoners van de Unie waren onderdanen geworden van de Pruisische koning, de Oostenrijkse keizer of de Russische tsaar of zij leefden als ballingen in steden als Parijs waar prins Adam Czatoryski, die na de mislukte Novemberopstand in Hôtel Lambert ‘hof hield’, één van de spilfiguren van het Poolse culturele leven zou worden.

Toch bleef ‘het voornaamste thema in het Poolse politiek denken er één van continuïteit.’ De romantici beschouwden zich als de erfgenamen van de Unie en leefden in de verwachting van haar wederopstanding. De ‘basis voor het herstel van de Poolse natie,’ zo schreef Mochnacki, één van de theoretici van het romantische nationalisme ‘is het historische verleden, dat we niet kunnen afwijzen of vergeten.’ Zelfs het idee van een opstand was, volgens Davies, geworteld in een recht dat binnen die oude ‘natie’ had bestaan: het recht om een confederatie tegen het bestaande gezag te vormen. De Poolse identiteit werd tot de Januariopstand van 1863 in sterke mate bepaald door de strijd om bevrijding.

Messianisme

Het woord ‘bevrijding’ kreeg onder veel Polen een metafysische dimensie, waarin de bestemming van Polen werd vereenzelvigend met die van de wereld. Polen kreeg de gestalte van de Messias die moest lijden, sterven en verrijzen om alle volkeren te verlossen uit de slavernij. Mickiewicz aarzelde niet om Polen als Christus tot de wereld te laten spreken (lees meer over Messianisme in Polen. Red.):

En Polen sprak: allen die tot mij zullen komen zullen vrij en gelijk zijn, want ik ben de Vrijheid.

Wanneer men dit messianisme opvat als een voorafbeelding van het moderne nationalisme, zoals later wel is gedaan, gaat men voorbij aan het meest in het oog springende kenmerk van dit heilsdenken, namelijk de universaliteit. De vrijheidsstrijd werd door de Poolse romantici begrepen als een strijd voor ‘een normatief ideaal in plaats van een sociale realiteit.‘ Voor uw vrijheid en de onze’ was dan ook de leuze die de opstandelingen van 1830-1831 op hun vaandels droegen en veel Polen vochten mee in de vrijheidsbewegingen van die periode. Nadat Napoleon in 1802 een Pools legioen naar Haïti had gezonden om de slavenopstand daar neer te slaan, deserteerden de meeste Polen en kozen de kant van de slaven. ‘Waar voor de vrijheid wordt gestreden, daar wordt voor Polen gestreden,’ zo schreef Mickiewicz.

Pen als wapen

Bij afwezigheid van een staat en staand leger bleek niet het zwaard, maar de pen het meest effectieve wapen. De ‘drie profeten‘ (trzej wieszcze) Mickiewicz, Krasiński en Słowacki gaven een ongekende glans aan de Poolse taal. Mystici als Towiański en de Hegeliaan Cieszkowski hielden de hoop op een verrijzenis van de Unie levend. ‘Een toewijding aan de traditie van de Poolse staat was synoniem voor de toewijding aan ruim opgevatte liberale en democratische waarden,’aldus Paulbryk. Van een etnisch nationalisme was nog geen sprake. Latere commentatoren wezen op het elitaire karakter van de Poolse identiteit. En inderdaad bleef Pan Tadeusz voor de meeste Poolse boeren verborgen. Een landarbeider uit Mazur kon sterven zonder ooit een mazurka van Chopin te hebben gehoord.

Artikel loopt door onder afbeelding"Chopin's Polonaise - Ball at Hôtel Lambert in Paris," by Teofil Kwiatkowski (via Wikimedia Commons)

4. Natuur en nationalisme

In de loop van de negentiende eeuw zullen een aantal ontwikkelingen het karakter van het nationalisme gaan veranderen. Het volksnationalisme van Herder en het ‘Volkstum’ van Jahn zullen een diepgaande invloed uitoefenen op de nationale bewegingen in het oosten van Europa. Het oude paradigma van een ‘natie’ maakte plaats voor een nieuw, explosief concept dat zijn wortels vond in de ‘natuur’.

Natuur

In de negentiende eeuw werd de ‘natuur’ geschapen. Mede als antwoord op de verstedelijking en industrialisatie zochten de Europese elites hun toevlucht in de ‘natuur’ die de bron werd van het ware, goede en schone. Het ‘natuurlijke leven’ werd het zinnebeeld van zuiverheid. De bevinding verdrong de dogmatiek uit het hart van de theologie. Componisten brachten volksmelodieën in gesublimeerde vorm naar de salons en concertzalen (Zo ook Polens bekendste componist Chopin. Red.).

In de letterkunde vormde het landleven het decor van de eenzame, peinzende wandelaar. Het rustieke landschap verscheen in de schilderkunst in een haast iconische glans. Ook de natie werd als een natuurverschijnsel begrepen. Het ‘volkskarakter’ en het ‘nationaal karakter’ gingen samenvallen. De natie openbaarde zich niet langer in de schittering van de adellijke hoven, maar in het natuurlijke licht van de idyllische velden. De negentiende-eeuwse cultus van de ruïne, de ‘verlaten woning,’ zo schrijft Lemaire, bevatte een kritiek op de oude aristocratische cultuur ‘in naam van de natuur.’ Echter, deze verheerlijking van het ‘natuurlijke volk’ als de ongeschonden ziel van de natie betekende niet dat het nationalisme ook van dit volk was. Het ‘volk’ bleef toch vooral een folklore: de verbeelding van hen die van het volkse vervreemd waren geraakt.

‘Ras’ als categorie

Een andere wijze waarop de natuur in deze periode op de voorgrond trad, zij het in minder idyllische vorm, was via de biologie. Sociaal-darwinisten begonnen de verhoudingen tussen de volkeren te beschrijven als een ‘survival of the fittest.’ De popularisering van de genetische studies van Mendel versterkte het geloof dat de gedragingen van etnische groepen waren terug te voeren op ‘onveranderlijke karakteristieken,’ zo schrijft Prizel en ‘Pasteurs verheldering van de wijze waarop onzichtbare vreemde lichamen een gezond lichaam konden binnendringen en overnemen, vond een politieke weerklank, in het bijzonder in de relatie met de Joodse minderheden.’ Het woord ‘ras’ werd vanaf het einde van de negentiende eeuw een breed aanvaarde categorie om de politieke en sociale werkelijkheid te begrijpen. Wat de zaak verder compliceerde, zo stelt Hobsbawn, was dat de woorden ‘ras’ en ‘natie’ in de praktijk steeds meer als synoniemen werden gebruikt.

5. Etnisch nationalisme: Dmowski

Roman Dmowski (9 August 1864 – 2 January 1939) wordt beschouwd als de vader van het moderne Poolse nationalisme. Zijn moderniteit lijkt in elk geval boven elke twijfel verheven te zijn. Hoewel hij en zijn Nationaal Democraten (Endecja) nooit in het centrum van de macht hebben gestaan, is zijn invloed aanzienlijk geweest.

Met ideeën ontleend aan de biologie (Dmowski was bioloog) en het Duits nationalisme en een volksopvatting die mystiek genoemd kan worden, werd de traditionele Poolse identiteit door Dmowski aan een radicale revisie onderworpen.

Met name de szlachta, die zich als de hoeder van die identiteit had beschouwd, moest het ontgelden. De Naród Szlachecki had van aanvang af de kiemen van desintegratie in zich gedragen, zo meende hij. Het oude verbond tussen de szlachta en de Joden was een teken van zwakte geweest: ‘de passiviteit en het zachte humanisme hadden de Joden in staat gesteld om het land tot een paradijs voor zichzelf te maken’ en hadden zodoende het Poolse volk veroordeeld tot ‘politieke achterlijkheid.’ Ook de romantische nationalisten waren er met hun ijle vergezichten en hun heroïsche opstandigheid uiteindelijk niet in geslaagd een natie te creëren.

Wil om te overleven

Dmowski, een sociaal-darwinist en vitalist (hoewel hij Nietzsche en Bergson als ‘grenzeloos’ afwees) bezag de situatie in het Europa van zijn tijd niet langer als een strijd voor de universele vrijheid, maar als een krachtmeting. De rechtvaardiging van een natie was voor hem niet gelegen in haar morele betekenis, maar in haar wil om te overleven. ‘In de verhouding met andere naties bestaat er geen goed of kwaad, alleen kracht en zwakheid,’ aldus Dmowski.

Homogene natie

Een vitale natie betekende voor Dmowski een etnisch homogene natie. Grote groepen minderheden, met name Joodse, zouden de vorming van een Poolse middenklasse, die hij als de toekomstige ruggengraat van de natie beschouwde, frustreren. ‘Zelfs de best, meest geassimileerde Joden denken en voelen niet op nationaal niveau. Nationale politiek is hun vreemd, dus in het gunstigste geval staan ze er onverschillig en in het algemeen vijandig tegenover.’

Dmowski vs Piłsudski

In de geschiedschrijving is vaak een scherpe tegenstelling gecreëerd tussen de ‘conservatief-nationalistische’ Dmowski en de ‘romantische multiculturalist’ maarschalk Piłsudski (5 december 1867 - Warschau, 12 mei 1935) wiens ‘patriottisme, aldus Snyder, niet gebaseerd was ‘op een moderne of taalkundige definitie van Polen, maar op nostalgische, republikeinse ideeën over het Groothertogdom Litouwen.’ (Piłsudski werd geboren in de buurt van Vilnius in het huidige Litouwen, Red.)

Artikel loopt door onder afbeeldingDmowski en Piłsudski (Via Kurier Historyczny)

Hoewel deze tegenstelling door moderne historici enigszins wordt gerelativeerd, vertegenwoordigen beiden een bepaalde wijze van ‘Pools’ zijn. Waar het Piłsudski ging om de staat en het burgerschap, plaatste Dmowski de natie en etniciteit op de voorgrond. Voor Piłsudski, de aristocraat en militair, was de republiek van 1919 een voortzetting van de staat die in 1795 van de kaart was verdwenen; voor Dmowski, de burger en intellectueel, was zij een project. Dmowski’s conceptie van een etnische natie werd ook in zijn tijd door veel ‘traditionele Polen’ als een verdachte vorm van nieuwlichterij beschouwd en één van de felste pamfletten tegen zijn ideeën werd gefinancierd door conservatieve patriotten.

Tweede Wereldoorlog

Binnen het huidige Poolse nationalisme bewustzijn nemen de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog een belangrijke plaats in. Allereerst was er het ‘verraad van het westen’. Toen de Duitsers in 1939 Polen binnenvielen, was de Poolse militaire strategie erop gericht lang genoeg weerstand te bieden om de bondgenoten in staat te stellen vanuit het westen een offensief in te zetten. Hoewel een overtuigende aanval volgens de Duitse legerleiding ‘geen serieuze verdediging’ tegenover zich had gevonden en tot een vroege ‘ineenstorting’ van Nazi-Duitsland had geleid, hield Gamelin, de Franse opperbevelhebber, het grootste deel van zijn leger achter de Maginotlinie. Toen de Russen in het kader van het  'Het Ribbentrop - Molotov Pact' Polen ook nog van uit het oosten aanvielen was de Val van Polen bezegeld.

De Polen die na de Val naar het westen kon ontkomen, voegden zich bij de geallieerden en vrije Poolse eenheden vochten in Frankrijk, in de lucht boven Groot-Brittannië, in Noord-Afrika, Italië en Nederland (Breda en Driel). Doch evenals in de negentiende eeuw leidde de heroïek tot een desillusie. De geallieerden wensten hun bondgenootschap met Rusland niet op het spel te zetten. De staat die de vrije Polen voor ogen hadden gehad, werd in tijdens de Conferentie van Jalta tenslotte onmogelijk gemaakt en veel Polen konden na 1945 niet terugkeren naar het communistische Polen.

Artikel loopt door onder afbeelding:
Nederlandse meisjes krijten een boodschap op een Poolse tank (via © IWM)

De oorlog had ook op demografisch vlak verstrekkende gevolgen. Tijdens de ‘Ausserordentliche Befriedungsaktion’ van 1940 werd een groot deel van de Poolse elite naar kampen als Buchenwald en Dachau gevoerd. Echter, tot aan Operatie Barbarossa in 1941 waren het vooral de Russen die in het door hen bezette deel een schrikbewind voerden: een aanzienlijk deel van de clerus, intelligentsia, ambtenarij en het officierenkorps werd op transport gezet en verdween (bijvoorbeeld in Katyń). Een bijzonder sinistere uitkomst van de oorlog was bovendien dat Polen na 1945 een ‘etnisch homogene natie’ was geworden. De oorlog betekende het einde van het Jodendom in Polen (ongeveer 3 miljoen Poolse Joden kwamen om) en een deel van de Joodse overlevenden vertrok na de oorlog naar de nieuwe staat Israël. Ook de verschuiving van de Poolse grenzen aan het einde van de oorlog en de volksverhuizing die daar het gevolg van was, droegen bij aan de ‘homogeniteit’ van de nieuwe natie.

6. Naoorlogs nationalisme

De communisten brachten na de Tweede Wereldoorlog niet alleen een ‘vreemde’ ideologie naar Polen, maar ook iets wat Polen tot dan toe niet had gekend: een sterke centrale overheid (en bureaucratie) die haar invloed op verschillende terreinen van het leven kon laten gelden. De communistische Volksrepubliek Polen (Polska Rzeczpospolita Ludowa) was, zoals Mackiewicz het uitdrukte: ‘noch Pools, noch een republiek, noch van het volk.’ Ze was vooral communistisch.

Beeld van de geschiedenis

Wie een natie wil beheersen, zal bezit moeten nemen van haar geschiedenis, zo luidt een bekende uitspraak. De communisten stonden na de machtsovername in Oost-Europa in dit opzicht voor twee belangrijke taken. Allereerst moesten de geschiedenissen van de nieuwe communistische landen in een historisch-materialistische visie gepast worden. Daarnaast was het van belang deze geschiedenissen te harmoniseren met die van Rusland. Dit was in het geval van Polen geen kinderlijke opgave en het moet opgemerkt worden dat de communisten, evenals Marx, op historisch gebied beschikten over een verrassende vindingrijkheid.

Vindingrijk

Deze vindingrijkheid toonde zich in een beeld van de Poolse geschiedenis dat beide problemen oploste. Door de aandacht naar het kapitalistische westen te verleggen (het fascisme werd als een typisch westers verschijnsel gezien), werd de rol die Rusland in de Poolse geschiedenis had gespeeld enigszins aan de aandacht onttrokken. Het was een voorstelling die uitblonk door zijn eenvoud. Het westen had Polen enerzijds proberen te vernietigen (nationaal-socialisme) en anderzijds verraden (Jalta). Ontdaan van zijn pro-Russische sentimenten en aangevuld met de negentiende-eeuwse notie van het martelaarschap, speelt dit beeld binnen het huidige nationalisme een belangrijke rol, zoals een tekst uit de animatiefilm Onoverwonnenen van het Instituut van Nationale Herinnering kan illustreren:

Wij capituleren niet. Ons leger herrijst. Wij veroveren Monte Cassino. Wij helpen de Joden. Wij zaaien dood en verderf in luchtgevechten. De Duitsers noemen ons de Zwarte Duivels. Wij sterven in naam van de waardigheid en vrijheid. Wij redden het leven van miljoenen mensen, maar als blijk van dank worden we verraden. De vrije wereld sluit zich van ons af met een IJzeren Gordijn.

7. Het nationalisme nu

Het Poolse nationalisme in onze tijd wil een antwoord bieden op een aantal zeer ingrijpende veranderingen die verband houden met de toegenomen ‘mobiliteit’ (immigratie, vrije markt, EU, cultuurrelativisme, globalisering en secularisering) die volgens Bauman tot gevolg heeft dat de mens overal kan zijn en daarmee nergens meer is. De vraag is echter of de ‘traditioneel Poolse identiteit’ die als antidotum wordt aangereikt geen eclecticisme van ‘nationale’ intuïties is, die ontleend worden aan historische paradigma’s die zich moeilijk laten verenigen.

Zowel de angst om door het westen geslachtofferd te worden als het verlangen naar een overheid die over de cultuur, het onderwijs, de pers en het recht waakt, lijken eerder een ander kader te weerspiegelen dat, hoe gebrekkig ook, zekerheid had verschaft en waarbinnen de traumatische ervaringen van Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog op een zinvolle wijze begrepen konden worden. De huidige nationalistische opleving kan niet als ‘rechts’ worden gekenschetst, aldus de historicus Zamoyski, maar de ‘bittere ironie’ is, zo stelt hij, dat de ‘belangrijkste elementen van het politieke programma’ van de PiS worden ontleend aan de ‘denkwijze van het naoorlogse communistische regime, die zij het meest zegt te minachten.’

Over de auteur: Man-Ri van den Ham

Man-Ri studeerde in Amsterdam Poolse taal en letterkunde. Hij werkte in het verleden onder meer als docent geschiedenis en maatschappijleer . Zijn interesse ligt vooral op het gebied van de Nederlandse godsdienst- en mentaliteitsgeschiedenis en de cultuurfilosofie. Daarnaast is hijeen enthousiast amateur-fotograaf. Op dit moment geeft hij trainingen en workshops interculturele communicatie met zijn eigen organisatie Cultural Dialectics. Daarmee helpt hij bijvoorbeeld Nederlandse ondernemers in de samenwerking met hun Poolse handelspartners of werknemers.

Man-Ri leverde twee eerdere bijdragen:

 

Reacties zijn gesloten.